-

Verordening Grenzen tariefmodellen gerechtsdeurwaarders

De ledenraad van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG),

Overwegende dat de KBvG tot taak heeft de bevordering van een goede beroepsuitoefening door de

leden en van hun vakbekwaamheid;

Gelet op de artikelen 57, tweede lid en 80 van de Gerechtsdeurwaarderswet;

Gezien het ontwerp van het bestuur en de bijbehorende toelichting;

Gehoord het advies van de algemene ledenvergadering van de KBvG;

Stelt de navolgende verordening met toelichting vast:

Artikel 1 – Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a) Gerechtsdeurwaarder: gerechtsdeurwaarder als bedoeld in artikel 1, onder d, van de

Gerechtsdeurwaarderswet of waarnemend gerechtsdeurwaarder als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van

de Gerechtsdeurwaarderswet;

b) Out of pocket-kosten: alle kosten die de gerechtsdeurwaarder aan derden betaalt ten behoeve van

één of meerdere opdrachten van zijn opdrachtgever, waaronder verschotten als bedoeld in artikel 9 van

het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders, griffierechten, informatiekosten en leges,

met uitzondering van het honorarium van een collega-gerechtsdeurwaarder;

c) Opdrachtgever: hij die de opdracht verstrekt aan de gerechtsdeurwaarder en niet ook zelf

gerechtsdeurwaarder is;

d) Derde: ieder ander dan de gerechtsdeurwaarder, waaronder in het bijzonder zijn opdrachtgever en de

verzoeker die niet ook zelf gerechtsdeurwaarder is.

Artikel 2 – Doel

De verordening heeft ten doel:

Het waarborgen van de kwaliteit van de ambtelijke dienstverlening, de onafhankelijke en onpartijdige

positie van de gerechtsdeurwaarder en diens integriteit, die nooit mogen lijden onder de financiële

afspraken die gemaakt worden tussen de opdrachtgever en de gerechtsdeurwaarder.

Artikel 3 – Redelijke vergoeding

De gerechtsdeurwaarder brengt voor zijn ambtelijke diensten ten minste een redelijke vergoeding in

rekening.

Artikel 4 – Imputatieregeling

Het is de gerechtsdeurwaarder pas toegestaan om ontvangen gelden af te dragen aan zijn opdrachtgever

nadat de out-of-pocket-kosten en zijn eigen verdiensten zijn betaald.

Artikel 5 – Out-of-pocket-kosten

Het is de gerechtsdeurwaarder niet toegestaan om out-of-pocketkosten geheel of gedeeltelijk voor eigen

rekening te nemen.

Artikel 6 – Overeenkomsten en derden

De gerechtsdeurwaarder sluit geen overeenkomsten die erop gericht zijn dat een derde kan verdienen

aan ambtshandelingen of de werkzaamheden die daarmee rechtstreeks samenhangen.

Artikel 7 – Toepassingsbereik

Deze verordening is niet van toepassing op de samenwerking tussen twee of meer

gerechtsdeurwaarders.

Artikel 8 – Reglement

1. Het bestuur van de KBvG is bevoegd tot het geven van nadere regels betreffende het in deze

verordening behandelde onderwerp.

2. Het bestuur van de KBvG stelt deze nadere regels vast bij reglement, na daarover advies te hebben

ingewonnen van de Ledenraad.

Artikel 9 – Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Grenzen tariefmodellen gerechtsdeurwaarders.

Artikel 10 – Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand na die van de

dag van de bekendmaking door plaatsing in de Staatscourant.

Het bepaalde in deze verordening is van toepassing op voor de datum van inwerkingtreding van deze

verordening gemaakte afspraken, met ingang van eerste dag van de zesde maand na die van de dag van

de bekendmaking door plaatsing in de Staatscourant.

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Doel van deze verordening

Deze verordening stelt in het belang van het waarborgen van de kwaliteit van de ambtelijke

dienstverlening, de onafhankelijke en onpartijdige positie van de gerechtsdeurwaarder en diens

integriteit, gedragsregels voor gerechtsdeurwaarders bij het maken van financiële afspraken met

opdrachtgevers.

Daarmee wordt beoogd een einde te maken aan situaties waarin gerechtsdeurwaarders, onder druk van

de onderlinge concurrentie, tot financiële afspraken komen waarin de kwaliteit van de ambtelijke

dienstverlening en de goede beroepsuitoefening ondergeschikt raken aan de belangen van de

opdrachtgever, ten nadele van de schuldenaar en in bepaalde gevallen zelfs met gevaar voor de

continuïteit van de beroepsuitoefening door de individuele gerechtsdeurwaarder.

2. Probleemanalyse

In 2001 is de Gerechtsdeurwaarderswet ingevoerd. Belangrijk onderdeel van deze wet is het stelsel van

vrije opdrachtgeverstarieven en vaste schuldenaarstarieven voor het verrichten van ambtshandelingen

door gerechtsdeurwaarders. Dit stelsel kent vaste bedragen die op de schuldenaar mogen worden

verhaald en volledige prijsvrijheid in de relatie tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn opdrachtgever.

Deze vrijheid is ingegeven door de marktwerkingsgedachte dat concurrentie tussen

gerechtsdeurwaarders zou leiden tot verbetering van productie en kwaliteit en dat kosten konden worden

gereduceerd.

Waar dit stelsel aanvankelijk positief is ontvangen openbaarden zich in de loop der tijd steeds meer

onbedoelde negatieve neveneffecten van dat stelsel. Zo komt het inmiddels in de praktijk voor dat de

honorering van de gerechtsdeurwaarder afhankelijk wordt gemaakt van het resultaat van

tenuitvoerlegging, dat financiële risico’s van de vordering van de opdrachtgever verschuiven naar de

gerechtsdeurwaarder of dat direct of indirect door opdrachtgevers aan door de gerechtsdeurwaarder

uitgevoerde ambtshandelingen wordt verdiend, ten nadele van de schuldenaar.

Dergelijke afspraken zijn om verschillende redenen onwenselijk. Ten eerste voor de goede

beroepsuitoefening. Zo vormen ze een risico voor de waarden die de gerechtsdeurwaarder in acht moet

nemen. Een ambtshandeling betreft het inzetten van de macht van de staat. Een eerlijke rechtsbedeling

vereist dat dit onafhankelijk en evenwichtig gebeurt en dat de opdrachtgever of verzoeker daar geen

verdienmodel aan kan hebben, voor rekening van de schuldenaar. De onpartijdigheid die een goede

gerechtsdeurwaarder betaamt vergt bovendien dat belangenconflicten worden voorkomen. Ten tweede

brengen dergelijke financiële afspraken reële risico’s met zich mee voor de kwaliteit van de

dienstverlening, doordat de continuïteit van de ambtsuitoefening in gevaar komt. Dat deze risico’s zich

ook verwezenlijken blijkt uit het groeiende aantal gerechtsdeurwaarders dat noodgedwongen het kantoor

moet sluiten of onder verscherpt financieel toezicht wordt geplaatst.

In de artikelen 2, 4, 8 en 14 van de Verordening KBvG Normen voor Kwaliteit zijn al artikelen

opgenomen die zien op de betrokkenheid van de gerechtsdeurwaarder bij de vordering van zijn

opdrachtgever, op zijn onafhankelijkheid in verhouding tot zijn opdrachtgeversportefeuille, zijn positie

tussen schuldenaar en opdrachtgever en de continuïteit van zijn onderneming met betrekking tot kosten,

investeringen en reserves. Hoewel het belang van deze bepalingen onverminderd is, zijn ze te algemeen

gebleken om de excessen te voorkomen waarop de huidige verordening is gericht. Dat de

gerechtsdeurwaarder een kickbackfee op ambtshandelingen berekent, wordt met die bepalingen immers

niet voorkomen. Noch wordt voorkomen dat de gerechtsdeurwaarder enkel nog voor zijn eigen kosten

executeert, de out-of-pocketkosten toch terugbetaalt of ten gunste van de opdrachtgever nodeloos

ambtshandelingen verricht.

3. Grondslagen van deze verordening

Deze verordening berust op twee grondslagen: het versterken van de kwaliteit van de dienstverlening

door gerechtsdeurwaarders (en hun kantoren) en het bevorderen van een goede beroepsuitoefening door

de individuele gerechtsdeurwaarders. Voor beiden geldt dat deze nooit mogen lijden onder de financiële

afspraken die gemaakt worden tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn opdrachtgever.

3.1 Kwaliteit van de dienstverlening

Die kwaliteit staat echter steeds meer onder druk van de concurrentie die vooral op prijs en

incassoresultaat plaats vindt. Het is dan ook onwenselijk dat gerechtsdeurwaarders in de

concurrentiestrijd met beroepsgenoten, tarieven afspreken of financiële arrangementen met

opdrachtgevers aangaan die zodanig onder de kostprijs liggen dat hierdoor risico’s ontstaan op het punt

van de zorgvuldigheid die de gerechtsdeurwaarder bij de ambtsuitoefening in acht dient te nemen,

alsook op dat van de continuïteit van die ambtsuitoefening. Het is dan ook de taak van de KBvG om de

kwaliteit van de dienstverlening te bevorderen.

4.1 De goede beroepsuitoefening: onafhankelijk, onpartijdig, integer

De gerechtsdeurwaarder voert zijn ambt uit door een goede beroepsuitoefening. Dat houdt, voor zover

hier van belang, onder meer in dat hij onafhankelijk is, onpartijdig en integer. Zo zorgt de

gerechtsdeurwaarder ervoor dat de aanvaarding en de uitvoering van opdrachten nimmer wordt bepaald

of beïnvloed door andere rollen of verantwoordelijkheden (zie artikel 2 lid 1 Verordening

Onafhankelijkheid van de Gerechtsdeurwaarder). De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de

gerechtsdeurwaarder zijn te beschermen algemene belangen. Het zijn niet alleen de pijlers, maar zelfs

de absolute voorwaarden van de goede ambtsuitoefening. Deze voorwaarden zijn gecodificeerd in artikel

12a van de Gerechtsdeurwaarderswet en beleidsmatig vastgelegd in het Meerjarenbeleidsplan KBvG

2016 – 2020.

De onafhankelijke en onpartijdige positie van de gerechtsdeurwaarder staat onder druk door

resultaatafhankelijke prijsafspraken (zie hierover onder meer het evaluatierapport Noblesse Oblige, p. 63

en de Mededeling Commissie van 9 februari 2004, p. 5 en 25). Het komt zelfs voor dat de

gerechtsdeurwaarder partij wordt in de zaak. Dit is bijvoorbeeld het geval als de gerechtsdeurwaarder

voor zijn beloning afhankelijk is van het resultaat van de tenuitvoerlegging. Dit geldt temeer als de

ontvangsten uit de tenuitvoerlegging eerst naar de opdrachtgever gaan, en de gerechtsdeurwaarder in

een positie kan komen te verkeren dat hij ambtshandelingen alleen nog verricht om zijn vergoeding op

te kunnen brengen.

Het principe dat de verweerder de kosten van de tenuitvoerlegging betaalt geldt als uitgangspunt voor de

tenuitvoerlegging (zie daarvoor de toelichting op artikel 5 Global Code of Enforcement, UIHJ 2015 en

CEPEJ (2009) 11 Rev2, nr. 60). Als de kosten niet op de verweerder kunnen worden verhaald, worden

deze gedragen door de opdrachtgever. Het kostenrisico hoort niet thuis bij de gerechtsdeurwaarder.

4.2. Integriteit

Dit soort afspraken brengt ernstige schade toe aan de geloofwaardigheid van de gerechtsdeurwaarder.

Iedereen mag er immers van uitgaan dat de gerechtsdeurwaarder integer handelt en in de

tenuitvoerlegging niet door eigen belang wordt geleid. Daardoor zou ernstige schade kunnen worden

toegebracht aan de rechtsbedeling, het ambt en het vertrouwen dat de maatschappij daarin stelt.

“EQUALITY OF ARMS”

Tariefafspraken waarbij de opdrachtgever geen of zeer weinig kostenrisico loopt bij de tenuitvoerlegging,

leveren een potentieel perverse prikkel op. De opdrachtgever hoeft dan immers geen enkele afweging te

maken tussen het aanwenden van eigen financiële middelen, het risico van tenuitvoerlegging en de

kansen op succes. De facto biedt een dergelijke tariefafspraak de opdrachtgever een nagenoeg financieel

risicoloos executeren. De inzet van de gerechtsdeurwaarder, en dus het inzetten van de macht van de

staat, is dan altijd in het belang van de opdrachtgever, ongeacht de vraag of die inzet nog proportioneel

geacht kan worden.

Het is daarbij te beargumenteren dat de bestaande situatie waarbij de verzoeker geen enkel kostenrisico

loopt bij het inzetten van de macht van de staat, terwijl het de verweerder geld kost zich hiertegen te

verzetten, strijdig is met de “equality of arms”, neergelegd in artikel 6 EVRM, en strijdig kan zijn met de

proportionaliteit.

5. De maatregelen

5.1. Inleiding

Deze verordening introduceert in navolging van het advies van de commissie, vier onderling

samenhangende maatregelen: een redelijke vergoeding (art. 3), een imputatieregeling (art. 4), een

regeling voor het omgaan met out-of-pocketkosten (art. 5) en een waarborg tegen oneigenlijke

verdienmodellen.

5.2. Redelijke vergoeding

In artikel 3 is de verplichting opgenomen voor de gerechtsdeurwaarder om “ten minste een redelijke

vergoeding” in rekening te brengen bij de opdrachtgever voor zijn ambtshandelingen. Deze verplichting

is gericht op het voorkomen van een te grote betrokkenheid van de gerechtsdeurwaarder bij de

vordering van opdrachtgever, en van het aangaan van te grote bedrijfsrisico’s.

Met deze verplichting is niet beoogd om voor ambtshandelingen een verbod op no cure, no pay te

introduceren. Het gaat erom dat dienstverlening niet in gevaar komt en dat de gerechtsdeurwaarder niet

afhankelijk wordt van de opdrachtgever. Middels een businesscase en een eventuele risicoanalyse kan de

gerechtsdeurwaarder vooraf berekenen wat een redelijke vergoeding is voor zijn ambtelijke diensten. De

uitkomst daarvan kan per kantoor of gerechtsdeurwaarder verschillen. Omdat artikel 3 daarnaast niet is

gericht op de dienstverlening en niet op de individuele ambtshandeling, hoeft dus niet te worden

gevreesd dat vaste ondergrenstarieven zullen ontstaan. Wel kan een businesscase of risicoanalyse de

onderhandelingspositie van de gerechtsdeurwaarder mogelijk versterken, wat een bijdrage kan leveren

aan de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder.

5.3. Imputatieregeling en omgaan met out-of-pocketkosten

De imputatieregeling (artikel 4) heeft als doel om te voorkomen dat de gerechtsdeurwaarder aan het

eind van een betalingsregeling enkel nog voor zijn eigen verdiensten executeert. Het verbod op

financiering van out-of-pocket kosten (artikel 5), dient om te voorkomen dat de gerechtsdeurwaarder het

kostenrisico draagt voor out of pocket-kosten. Door de verplichte imputatieregeling moet de

gerechtsdeurwaarder eerst afboeken op out-of-pocket-kosten en daarna op de vergoeding die de

gerechtsdeurwaarder op grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders voor

zijn diensten in rekening moet brengen en op het overig honorarium. De out-of-pocket-kosten mag de

gerechtsdeurwaarder niet voor eigen rekening nemen, zodat hij daarop ook geen kostenrisico draagt.

Voor artikel 4 zijn er geen andere mogelijkheden om te voorkomen dat de gerechtsdeurwaarder enkel

nog voor zijn eigen kosten executeert. In verband met de naleving van deze imputatieregeling is het

zinvol te wijzen op de mogelijkheid het tweede lid van artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderwet, waarin

is bepaald dat vorderingen van de gerechtsdeurwaarder uit hoofde van voor de rechthebbende verrichte

werkzaamheden van rechtswege in mindering op het aandeel van de rechthebbende in het saldo komen,

zodra zij aan de rechthebbende zijn opgegeven. Het saldo voor de verrichte werkzaamheden zal in

voorkomend geval de redelijke vergoeding van artikel 3 zijn.

De out-of-pocketregeling van artikel 5 is een aanvulling op de bestaande Bestuursregel ter regulering

van de voorfinanciering out of pocket-kosten.

5.4 Waarborg tegen oneigenlijke verdienmodellen

Artikel 6 heeft als doel te voorkomen dat derden gericht kunnen verdienen aan ambtshandelingen als

zodanig. De overeenkomsten die worden gesloten die “erop zijn gericht” dat een derde kan verdienen

aan de ambtshandelingen of de werkzaamheden worden met het artikel ondervangen.

Het vereiste van een redelijke vergoeding (artikel 3) sluit niet de mogelijkheid uit dat een opdrachtgever

aan ambtshandelingen zou kunnen verdienen. In het geval de gerechtsdeurwaarder bijvoorbeeld een

kant en klaar vooraf geredigeerd exploot betekent (redelijke vergoeding op het niveau van een

ambtshandeling) of op portefeuilleniveau een businesscase opstelt (redelijke vergoeding op

portefeuilleniveau), dan moet hij kunnen aantonen dat er tenminste een redelijke vergoeding voor zijn

ambtelijke dienst(en) is berekend.

Valt deze door opdrachtgever te dragen redelijke vergoeding lager uit dan de Btag-kosten die uiteindelijk

voor de opdrachtgever bij de schuldenaar worden geïncasseerd dan verdient de opdrachtgever aldus aan

de ambtshandelingen. Deze mogelijkheid is bij de totstandkoming van de Gerechtsdeurwaarderswet

uitdrukkelijk door de wetgever onderkend en kan de gerechtsdeurwaarder dan niet worden

tegengeworpen. Onder de voorwaarde, en dat is de strekking van artikel 6, dat zijn overeenkomsten niet

op dat verdienen aan ambtshandelingen door een derde zijn gericht.

De kern is dat de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de gerechtsdeurwaarder daar “niet op

gericht” mag zijn: is er met de opdrachtgever overeengekomen dat de ambtshandelingen aan een

collega worden uitbesteed met als doel de out-of-pocketkosten voor eigen rekening te nemen, dan is

artikel 6 van toepassing en is die constructie dus niet toegestaan.

Artikel 6 strekt er ook toe om te belemmeren dat allerlei constructies worden opgetuigd om de

voorschriften van de artikelen 4, 5 en 6, te omzeilen. Gedacht kan worden aan constructies als het laten

uitvoeren van ambtelijke werkzaamheden door een collega-gerechtsdeurwaarder, om vervolgens de

kosten hiervoor naar de opdrachtgever toch deels voor eigen rekening te kunnen nemen. Artikel 5 geldt

namelijk niet voor out-of-pocketkosten die bestaan uit kosten van een collega-gerechtsdeurwaarder (zie

artikel 7). Artikel 6 staat bijvoorbeeld in de weg aan een afspraak met de opdrachtgever dat

ambtshandelingen aan een collega worden uitbesteed om de out-of-pocketkosten voor eigen rekening te

kunnen nemen.

Een andere verboden constructie is de situatie dat een gerechtsdeurwaarder de opdracht aan een

collega-gerechtsdeurwaarder uitbesteedt en in een contract heeft bepaald dat ontvangen gelden eerst

moeten worden afgeboekt op de hoofdsom, zodat de collega-gerechtsdeurwaarder alsnog voor zijn eigen

kosten executeert. De situatie die hier ontstaat is dat de gerechtsdeurwaarder-opdrachtgever wél de

imputatieregeling moet handhaven richting zijn opdrachtgever, maar dat niet hoeft richting de

gerechtsdeurwaarder-opdrachtnemer.

5.5. Opdrachten tussen gerechtsdeurwaarders

De uitzondering van artikel 7 over de samenwerking tussen gerechtsdeurwaarders kan dus nooit dienen

als middel om onder de overige gedragsregels uit te komen. Het moedwillig omzeilen van beroeps- en

gedragsregels is overigens op zichzelf ook tuchtrechtelijk laakbaar, zie bijvoorbeeld artikel 1 van de

Verordening Beroeps- en Gedragsregels.

6. Voorbereiding van deze verordening

De ledenraad van de KBvG heeft in het voorjaar van 2016 het dat bestaan van onwenselijke financiële

afspraken erkend en uitgesproken dat deze situatie een onaanvaardbare bedreiging vormt voor de

kwaliteit van dienstverlening (de continuïteit van de dienstverlening) en een goede beroepsuitoefening

(de onafhankelijke en onpartijdige taak van de gerechtsdeurwaarder en zelfs diens integriteit). Zie ook

het Meerjarenbeleidsplan KBvG 2016 – 20202: Ik zal handhaven (p. 47).

De ledenraad van de KBvG heeft daarom op 21 april 2016 een commissie ingesteld die tot taak had te

onderzoeken of en zo ja, op welke wijze in het belang van de goede beroepsuitoefening en de kwaliteit

van de ambtelijke dienstverlening van gerechtsdeurwaarders door de KBvG grenzen gesteld kunnen

worden aan door gerechtsdeurwaarders gehanteerde prijsafspraken. De Commissie Grenzen

Tariefmodellen heeft twee jaar lang onderzoek gedaan naar de bestaande gewenste en ongewenste

tariefmodellen.

De commissie heeft eind 2017 haar advies uitgebracht met een viertal aanbevelingen. In haar

vergadering van 21 december 2017 is het advies van de commissie in zijn geheel door de ledenraad

omarmd en heeft zij het bestuur gevraagd om in samenspraak met de commissie de aanbevelingen uit te

werken in een ontwerp-verordening.

Op 20 september 2018 heeft de ledenraad ingestemd met het verzenden van de ontwerp-verordening

naar de Algemene Ledenvergadering, waarna de Algemene Ledenvergadering deze op 23 november

2018 heeft voorzien van een positief advies. Daarnaast is de ontwerp-verordening gesondeerd bij het

Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Bureau Financieel Toezicht.

Op 6 februari 2019 is een expertmeeting gehouden over de inhoud van de verordening is toegelicht. De

resultaten van de expertmeeting zijn in de commissie besproken en hebben ertoe geleid dat de inhoud

van de verordening ongewijzigd is gebleven, maar de toelichting is uitgebreid. Vervolgens zijn er

intensieve gesprekken geweest met een extern bureau dat is gespecialiseerd in wetgeving, om de

toelichting te verduidelijken en beter te structureren. Ook is overleg gevoerd met de Autoriteit

Consument en Markt over de vraag of sprake is van beperking van de marktwerking en zijn vragen van

het Bureau Financieel Toezicht over onder andere de handhaafbaarheid beantwoord.

7. Verhouding met mogelijke herijking Btag

Door de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

is medio 2017 een commissie tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (de zgn. Commissie-

Oskam) ingesteld, met als taak te adviseren over de tarieven van ambtshandelingen en het stelsel

daarvoor. Het advies van deze commissie wordt in het voorjaar van 2019 verwacht, waarna het kabinet

daarover een standpunt zal innemen. Eerst dan zal bekend worden of en zo ja, op welke wijze,

veranderingen in het stelsel verwacht kunnen worden en kan worden ingeschat of daarvan invloed

uitgaat op de inhoud van deze verordening.

Vanuit de eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de dienstverlening en de goede

beroepsuitoefening, wil de KBvG daar niet op wachten, gelet op het belang van de in deze verordeningen

getroffen maatregelen voor de bestaande problematiek.

Artikelsgewijs

Artikel 1

In dit artikel worden enkele begrippen nader gedefinieerd die in deze verordening voorkomen en daarin

een specifieke betekenis hebben.

Artikel 2

In dit artikel is het doel omschreven dat met deze verordening wordt gediend.

Artikel 3

Voor deze bepaling is gekozen om de opdrachtgever en de verweerder te beschermen tegen te grote

financiële betrokkenheid van de gerechtsdeurwaarder bij de tenuitvoerlegging. Ook moet door regulering

worden voorkomen dat er te grote bedrijfsrisico’s voor de gerechtsdeurwaarder ontstaan waardoor de

kwaliteit en de continuïteit van de ambtsuitoefening in gevaar kan komen.

Het artikel regelt dat in het geval de gerechtsdeurwaarder ambtelijke diensten heeft verricht, daar ten

minste een redelijke vergoeding tegenover moet staan. Die vergoeding kan worden berekend op

portefeuilleniveau, op dossierniveau of op het niveau van een ambtshandeling. De voorwaarde is dat

middels een businesscase en eventueel een risicoanalyse kan worden aangetoond dat op

portefeuilleniveau, dossierniveau of het niveau van een ambtshandeling vooraf een redelijke vergoeding

is berekend.

In het artikel is een open norm vastgesteld. Voorkomen moet worden dat prijsconcurrentie in het

ambtelijke domein onmogelijk wordt door een systeem van vaste of minimale tarieven. Door te kiezen

voor de open norm als uitgangspunt wordt recht gedaan aan de ondernemersvrijheid van de

gerechtsdeurwaarder.

Met deze norm wordt aangesloten bij artikel 7:405 BW. De open norm kent een dubbele

redelijkheidstoets: de in rekening gebrachte vergoeding dient qua hoogte redelijk te zijn voor de

diensten die naar aard en omvang in redelijkheid zijn verricht.

De gerechtsdeurwaarder zal de naleving van deze norm moeten kunnen aantonen. Dat betekent dat hij

op voorhand een geloofwaardig en onderbouwde businesscase opmaakt en dat de afspraken die hij

maakt daarmee overeenstemmen. Dit dient te gebeuren bij het overeenkomen van de (prijs)afspraken

zodat de gerechtsdeurwaarder in alle gevallen en onafhankelijk van het resultaat voldoet aan de norm.

Die businesscase moet ook in het licht van de handhaafbaarheid overlegd kunnen worden. Niet

voldoende is het dus om aan de hand van het resultaat achteraf te bezien of er op basis van de

overeengekomen afspraken een redelijke vergoeding in rekening wordt of is gebracht. Het is dus ook niet

toegestaan om overeen te komen dat slechts bij het intreden van een bepaald gevolg een vergoeding in

rekening mag worden gebracht. Een extra vergoeding bij het behalen van een bepaald resultaat is

daarentegen weer wel mogelijk, als de basisvergoeding maar tenminste redelijk is.

De norm schrijft voor dat de gerechtsdeurwaarder tenminste een redelijke vergoeding ook daadwerkelijk

in rekening brengt. Dit voorkomt de situatie dat de gerechtsdeurwaarder een redelijke vergoeding op

grond van de met zijn opdrachtgever bestaande overeenkomst weliswaar in rekening kan brengen, maar

dat hij dat niet doet door bijvoorbeeld achteraf korting te geven of verrekening toe te passen.

De norm ziet uitsluitend op de ambtelijke praktijk. Er is geen aanleiding het bereik van deze regel uit te

breiden naar niet-ambtelijke werkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder omdat deze werkzaamheden

ook door andere dan gerechtsdeurwaarders kunnen worden uitgevoerd. Dat de gerechtsdeurwaarder

voor zijn ambtelijke werkzaamheden tenminste een redelijke vergoeding in rekening moet brengen

betekent ook dat het niet voldoende is dat hij de inkomsten van niet-ambtelijke werkzaamheden

aanwendt om te kunnen voorzien in de vereiste opslag voor zijn ambtelijke praktijk.

Artikel 4

Deze bepaling heeft als doel om te voorkomen dat de gerechtsdeurwaarder voor zijn eigen verdiensten

executeert. Onder eigen verdiensten wordt verstaan het bedrag dat de gerechtsdeurwaarder toe komt uit

hoofde van de overeenkomst die hij met zijn opdrachtgever sluit. De imputatieregeling ziet op de

ontvangen gelden in een tenuitvoerlegging en dus ook op de ten laste van de schuldenaar verhaalbare

kosten. Het artikel bepaalt dus de afboekvolgorde van ontvangsten op de vordering, maar staat los van

de prijsafspraak tussen opdrachtgever en gerechtsdeurwaarder (zolang maar wordt voldaan aan de eis

van een redelijke vergoeding overeenkomstig artikel 3). Pas op het moment dat de out-of-pocketkosten

en de overeengekomen vergoeding zijn geïncasseerd, mag het surplus worden afgedragen aan de

opdrachtgever.

Gebleken is dat er in de praktijk tariefafspraken bestaan, waarbij opbrengsten uit de tenuitvoerlegging

eerst geheel of gedeeltelijk in mindering strekken op de hoofdsom, zodat aan het einde van de

tenuitvoerlegging de vergoeding voor de werkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder resteert. Deze

tariefafspraken hebben de volgende hoogst onwenselijke gevolgen:

- De gerechtsdeurwaarder is voor zijn verdiensten geheel of gedeeltelijk afhankelijk van het resultaat

van de tenuitvoerlegging. Zodra de hoofdsom (grotendeels) is voldaan, executeert de

gerechtsdeurwaarder geheel of grotendeels voor zijn eigen verdiensten. Dit brengt grote risico’s met zich

mee voor de noodzakelijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

- De gerechtsdeurwaarder ontvangt pas na lange tijd een vergoeding voor zijn werkzaamheden. Deze

vorm van voorfinanciering levert bedrijfsrisico’s op. Bovendien draagt de gerechtsdeurwaarder

gedurende die tijd het risico van insolventie van de verweerder. Een risico dat niet thuishoort bij de

gerechtsdeurwaarder als tenuitvoerleggingsautoriteit.

Door verplichte toepassing van de in deze verordening opgenomen imputatieregel wordt voorkomen dat

voorfinanciering plaatsvindt zonder dekking. Toepassing van deze regel betekent dat opbrengsten uit de

tenuitvoerlegging in de verhouding tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn opdrachtgever eerst in

mindering strekken op out-of-pocket-kosten, daarna op de vergoeding die de gerechtsdeurwaarder op

grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders voor zijn diensten in rekening

moet brengen, vervolgens op het overig honorarium en tenslotte op de vordering van de opdrachtgever.

Toepassing van deze imputatieregeling betekent in grote lijnen dat de uit de tenuitvoerlegging ontvangen

gelden eerst in mindering strekken op de kosten van de tenuitvoerlegging en daarmee dus dienen als

honorarium voor de gerechtsdeurwaarder, in plaats van dat de gelden eerst op de hoofdsom worden

afgeboekt. Door geen overeenkomsten aan te gaan die in strijd zijn met deze imputatieregeling wordt

het financiële risico dat de gerechtsdeurwaarder bij de tenuitvoerlegging loopt verkleind zonder dat het

nodig is om te komen tot een algeheel verbod op “no cure, no pay” afspraken. Voor de opdrachtgever

heeft deze afboekvolgorde als effect dat aanspraak kan worden gemaakt op rente over het openstaande

deel van de hoofdsom, totdat de algehele voldoening heeft plaatsgevonden.

Artikel 5

 

Nieuws afbeelding